Ik mis het ‘even kunnen doorpakken’.
Ik deed het gisteravond wel. Doorpakken. Iets met een hond die gestrest was door vuurwerk (het was feest in Groningen Stad) en daarom niet wilde plassen.
Ik wist en voelde dat het niet kon en deed het toch. Dat krijg ik vandaag op mijn bordje.
Overigens is ‘niet kunnen’ ook zo’n onduidelijk iets geworden. Ik deed het, dus je kunt stellen dat ik het dús ook kon. Maar kijkend naar de consequenties kon het niet. Welke is het dan?
Maar goed, even doorpakken dus. Vroeger kon ik dat. Even dat stapje erbij, even een versnelling hoger. Ik kon het vooral omdat ik ook goed was in de andere kant: een stapje terug doen, even vertragen. Naast mijn baan bouwde ik aan een bedrijf, dat was soms best druk. Wanneer ik voelde dat de spanning te veel op liep, bouwde ik rust in. Even niksen of lekker het bos in. Ontspannen en opladen. Zodat ik weer op een gezonde manier door kon.
En dus ook dat beetje extra kon geven. Even een middag knallen als klusjes zich te veel opstapelden. Of onverwachte extra’s erbij kunnen doen. Dat deed ik gewoon, want ik had de reserves. En ik kon er vaak ook van genieten. Een versnelling hoger kan ook lekker zijn.
Mijn hoofd denkt soms dat ik het nog kan. Dan loopt mijn to do lijst op, en denk ik: even een middagje ervoor gaan zitten, dan is het weg. Voor het gemak vergeet ik dan dat ik niet een hele middag kan zitten. En dat dat slechts 1 van de beperkingen is.
En als ik dan vanuit gevoelde noodzaak of frustratie wél een keer dat tandje bijzet (wel dat extra stukje loop, wel dat 2e klusje in huis doe, wel langer dan een kwartier op m’n laptop werk) dan voel ik duidelijk dat ik het wel deed maar het niet kon. En krijg ik dus alle gelegenheid om die andere kant in de praktijk te brengen: stapjes terug en vertragen.
Ik ben blij dat ik dat kan, dat ik me kan overgeven aan wat nodig is.
Maar jeetje, ik mis dat extra stapje, dat tandje erbij, die hogere versnelling.